column

April


17 april 2008

April is een heilige maand.
Dat wil niet zeggen dat april daarom een katholieke maand is.
Sterker nog, april is juist heilig verklaard vanwege het ruime aanbod van níet kerkelijke activiteiten.
Maar het heeft de schijn tegen. Dat geef ik toe.
De 1e zondag wordt de Hoogmis gevierd.
De 2e zondag speelt zich af in de Hel.
De 3e zondag wordt het Vagevuur bezocht om de laatste zondag te eindigen in de Hemel.
“Als dat geen katholiek jargon is, dan is de Paus een Mohammedaan”, hoor ik U tegenwerpen.
En gelijk heeft U.
Wie de Hoogmis viert, heeft de schijn tegen.
En in het Vagevuur of in de Hemel is geen Moslim te bekennen.  
Hoogmis en Hel verwijzen ontegenzeglijk naar een katholieke afkomst.
Kortom: Alles wat er tijdens die Hoogmis en in de Hel gebeurt kan alleen maar als katholiek verstaan worden.
Woorden als: afzien, zwaar labeur. Woorden als snoeven, door het snot halen, op de tanden bijten.
“In het zweet des aanschijns uw brood verdienen!”
“Door het stof gaan!”
Allemaal woorden waar gevloek, getoeter en gejuich omheen hangen.
Allemaal woorden die pas klank krijgen tegen een achtergrond van regen, hagelbuien, van natte sneeuw.
En wind, veel wind.
“Tegen de wind in beuken!” “De wind vol op kop”. “Een waaier maken”.
Het katholieke gehalte spat er van af.
En wanneer er tussen al dat geraas onverwachts een windstilte valt,
roepen alle betrokkenen beteuterd: “vijf dagen in het jaar waait het hier niet en uitgerekend vandaag hebben we één van die 5 dagen”.
Jezuïeten gepraat.
Daar komt bij dat we over april van dit jaar niet te klagen hebben.
Vorig jaar deze tijd was het zomer, friste de krant ons geheugen op!
Ze plaatsten een foto van een mevrouw in zwempak die gretig de Maas instapte.
April doet wat hij wil maar dit jaar doet april zijn naam eer aan.
Niks geen zwempakken! Overschoentjes en het regenjack over het strakke truitje!
Lijden leidt tot gelukzaligheid, zo luidt de katholieke boodschap en zo hoort het te zijn.
“Uw hemel zult ge verdienen” En met tranen zet gij u neder.
En dat deden ze, deze maand, de Flandriëns.
De Hoogmis werd gewonnen door Stijn Devolder, Tommeke zelf woonde de Hel uit en wie het Vagevuur en de Hemel zullen betreden, ligt nog voor ons.
April, de maand van de wielerklassieker. April, de heilige maand.
Plechtig heb ik beloofd het niet meer over wielrennen te hebben, maar nu één van onze grootste schrijvers, Hugo Claus, is overleden, kan ik niet anders.    
Claus dat was wielrennen.
Claus dat was afzien, snot in de modder, snoeven, door het stof gaan.
Vóór de maand april begon ging Claus.
Van daarboven heb ik een beter uitzicht, moet hij gedacht hebben.
Daarom, ter nagedachtenis aan de man die vlees op het bot schreef, die het theater bevruchtte met de poëzie van onze geheime krochten durfde ik het aan, het nog één keer over het wielrennen te hebben.
Maar met katholiek zijn, heeft dat allemaal niets te maken.
Nee, wielrennen, dat is vloeken in de kerk.
En renners? Renners sterven niet, die verdwijnen uit het zicht (zo dichtte een andere bekende Vlaamse dichter).  

Guido Wevers