column

Vanille-ijs

1 juli 2008


Roomkleurig, met pastelkleurige bloemmotieven beschilderd, zo tufte de ijskar door mijn dorpse zomerstraat.

De crème-man, zo noemden wij de ijsventer, had zijn ijs –vanille en chocola, meer smaken had hij niet- zelf gemaakt.

Met luide stem prees hij zijn verrukkingen aan.

Wat een tractatie. Een bolletje vanille-ijs op een hoorntje. Een levenlang zou ik naar die smaak op zoek gaan.

In Visé, bij Pam Pam, daar wou de bel nog wel eens rinkelen.

Of bij Venezia, vroeger op de Wijcker Brugstraat.

Maar het bleef behelpen. Look-a-likes waren het. Goedgeprobeerde Erzats, probeersels, maar crème, echte crème … nee helaas.

Tot in het Val Roseg bij Pontresina.

Daar ging de hemel open.

Aan het eind van het dal. Je kunt er alleen wandelend komen. Een tocht, vals plat omhoog, van ruim 2 uur. Of per paardenkoets, maar dan blijft er weinig vulling over in de beurs. Daar, aan de voet van een Alpenreus, wordt vanille-ijs geserveerd: ijs dat de lange tocht onmiddellijk doet verdampen. Alleen de aanblik al. Je gaat de hoek om en dan: tafels vol met frambozentaarten, aarbeien, kersen en vanille-ijs.

Een engel piest op je tong.

Het wordt tijd, Dames en Heren, dat we onze schup afkuisen, dat we de riem afleggen en de dagen, dag laten zijn.

Mag ik ieder een goede zomervakantie toewensen.

 

Guido Wevers