20 februari 2009
“ Wie mijn kaas snijdt als een schuit
En mijn dochter vraagt tot bruid
Dien smijt ik de deur uit”,
grapte mijn schoonmoeder zaliger toen ik voor het eerst aan het ontbijt zat bij wat later mijn schoonfamilie zou worden.
Een gezin met zes kinderen. Met aanhang al snel een klein elftal .
Allen er op uit, mij, de nieuwkomer een warm familieonthaal te bezorgen.
Dus, zo dacht ik, ik hoef dit eerste ontbijt ook niet persé de jam te vragen die aan de linkerkant van de tafel staat of de ham nog verder weg. Zo'n vraag zou met zekerheid de aanwezige broers en zussen prikkelen om de zoveelste leuke introductieopmerking mijn kant op te sturen . Inwijdingsrituelen horen er bij en daar hoor je je doorheen te spartelen, maar het moet ook niet te gek worden. Dus besloot ik om kaas te eten. Die stond immers vlak voor me. Die kon ik zelf pakken. Met zekerheid zou die kaas me, veilig door dit ontbijt loodsen .
Nee dus.
Aan dit voorval moest ik denken toen ik deze week een artikel las van een cultuurfilosoof die in herinnering bracht hoe, in moeilijke omstandigheden mensen elkaar gedichten voordragen .
Soms zijn situaties zo overweldigend dat we niet benoemd krijgen wat we graag zouden willen benoemen. Gewone woorden schieten soms te kort.
Gedichten, zo schreef de man in zijn artikel, gedichten zijn op zo'n moment een rollator die ons overeind houdt .
Nu was dat eerste familieontbijt niet echt een moeilijke situatie maar dit gedicht plaatste mij onmiddellijk in een lange familiecultuur. Het gaf me meteen handvaten hoe binnen dit gezin te overleven en vooral, het was met een weldadige humor doordrenkt. We hebben onbetamelijk moeten lachen om onszelf die ochtend.
Kunst en cultuur hebben vaak die functie. Ze houden ons in moeilijke tijden overeind.
De kunst en cultuur als rollators. In volle carnavalstijd een vermakelijke gedachte.
Vastelaovend same!
Guido Wevers