column

Januari


16 januari

Schraal hoort hij te zijn, de maand januari.
Uitgekleed, rillerig en kaal.
Precies lijk het binnen voelt.
Zo zonder kerstboom is de kamer thuis leeg. Leger dan leeg.
Zo leeg was het half december echt niet.
Nee, in januari hangt er een soort niets in de lucht.
Een grijs soort niets.
En het is maar goed ook, na al dat geweld van de feestdagen.
Dit jaar wil het echter niet lukken met dat kaal zijn.
Op 6 januari alweer vulden de straten zich met gezang en muziek.
De Prins werd ingehaald.
Het voelt alsof ik struikel over de tijd.
Ik kom aanlopen, trappel zó snel dat ik het karpet vol met dagen en weken mee neem.
De tijd is niet bij te benen.
Stel je voor: nog 2 weken en het Mooswief hangt weer op het Vrijthof.
Nog 2 weken en de stad gonst en bonst weer van Pierre Kemp’s verchristelijkte bronst.
Even voelt het alsof ik een glas verschraalt bier voorgezet krijg. ‘s Morgens vroeg.
Nee alstublieft, nu even niet.
Totdat, het bloed kruipt waar het niet gaan kan, ik het geluid van een
Zaat Hermenieke de Kommel op hoor kronkelen.
Het zet zich vast in mijn oor.
Totdat ik twee in blauw en rose verklede pubers op een kapotte fiets
diezelfde Kommel af hoor rammelen. Gehaast.
Ze moeten het Prins uitroepen nog halen.
Totdat ik me, door de regen heen, de geur van het voor – voorjaar herinner.
In mijn gespartel met de tijd weet ik een schuiver nog net te voorkomen.
Ik herpak me en glijd glorieus de Vasteloavend tegemoet.
Nog even en de stad is weer één groot beminnen.

Guido Wevers